Oorspronkelijk was Norderney een deel van het eiland Buise, dat in de 14e eeuw door stormvloeden in stukken brak. Toen het eiland Buise verdween, ontwikkelde Norderney zich uit het afgebroken stuk. Norderney werd in 1398 voor het eerst in een oorkonde genoemd als “Oesterende”. Norderney zelf bestond toen nog niet. Het oostelijke stuk werd Oesterend genoemd. Het westelijke deel heeft de naam “Buise” gehouden. Beide stukken waren bewoond. Na 1406 werd de naam “Oesterende” niet meer genoemd. In plaats daarvan werd steeds meer de aanduiding “Noorder nye Ooge” (Het nieuwe eiland van Norden) voor het sterk veranderde en door duinvorming gegroeide eiland gebruikt. In 1550 woonden er zo’n 80 mensen, en in deze tijd werd ook de eerste kerk gebouwd. Het eiland Buise werd ondertussen steeds kleiner: In 1544 bestond het eiland nog uit twee duinkoppen. In 1657 was er alleen nog een zandbank over.

De bevolking van Norderney leefde destijds voornamelijk van de visserij en de winning van lege schelpen. De schelpenkalk werd op het vasteland gebruikt als bouwmateriaal. De zeevaart was ook een inkomstenbron voor de eilanders, vooral op de handelsvloot vonden velen een baan. Enkele Norderneyers monsterden aan op walvisvaarders. Aan het eind van de 18e eeuw bezaten de Norderneyers een eigen vloot van zo’n 40 handelsschepen en enkele vissersschepen.
In 1797 werd Norderney als allereerste badplaats aan de Duitse Noordzeekust genoemd. In 1800 kwamen er tijdens het seizoen al 250 gasten. Enkele jaren later werd er o.a. ook een casino opgericht, wat voor sommige gasten de hoofdattractie was. In 1804 was het aantal gasten al verdubbeld. De bezoekers bleven zo’n 10-12 weken op het eiland. De weg er naar toe was toen nog erg lastig: Vanuit het oosten kwamen de bezoekers via Hamburg en Helgoland naar Norderney. Uit het zuiden gingen ze eerst via de Rijn naar Rotterdam, over land verder naar Amsterdam, en dan verder met een schip via Harlingen, Groningen, Emden en Norddeich naar Norderney.
In 1805 was er voor de eerste keer in het seizoen een arts en apotheker aanwezig.
In de tijd van de Napoleontische bezetting lag het badtoerisme stil. Na het Congres van Wenen in 1815 werd het eiland bij het koninkrijk Hannover ingedeeld, en in 1819 tot Staatsbadplaats verklaard.
Koning Georg V koos Norderney uit als zomerresidentie. Het slot dat toen werd gebouwd dient tegenwoordig nog als kuurgebouw. Ook de andere pronkgebouwen aan de promenade stammen uit die tijd. Andere prominente gasten waren onder andere Heinrich Heine, Otto von Bismarck en Theodor Fontane.
Tegen het einde van de 19e eeuw werd het toerisme de belangrijkste inkomstenbron voor de eilanders. De infrastructuur van het eiland werd verder verbeterd: in de periode van 1872 tot 1874 werden een aanmeerkade en havendam aangelegd, die ook bij hoogwater begaanbaar waren. Vanaf 1857 werd aan de westkant begonnen met kustverdedigingswerken. In totaal 32 strekdammen beschermen het eiland tegen nieuwe afslag.
In 1892 werd Norddeich aangesloten op het spoorwegennet.
In 1948 werd Norderney officieel een stad. 23-04-2002
Bron: Website De Wadden clubs
